Hoe lateralisatie oefenen: speelse oefeningen voor kinderen
Lateralisatie oefenen lukt het best met korte, speelse opdrachten waarbij een kind beide lichaamshelften leert gebruiken. Lichaamsbesef, het kruisen van de middellijn en de samenwerking tussen beide handen vormen daarbij de kern.
Spelletjes voor lichaamsbesef en links en rechts
Een goede basis begint met een kind dat zijn eigen lichaam kent. Pas daarna krijgen begrippen als links en rechts houvast. Eenvoudige spelletjes met aanwijzen, nadoen en verplaatsen leggen die basis, in de klas of in de gymzaal.

Lichaamsdelen herkennen en houdingen nadoen
Begin met benoemen en aanwijzen. Het kind toont wat u noemt, of noemt wat u aanwijst. Zo ziet u meteen of het de onderdelen van het eigen lichaam herkent.
- Aanwijzen: u noemt neus, oor, kin of knie en het kind raakt dat lichaamsdeel aan.
- Benoemen: u wijst een lichaamsdeel aan en het kind zegt hoe het heet.
- Houding nadoen: u staat bijvoorbeeld op één been met de handen op het hoofd en het kind neemt dezelfde houding aan.
Een afbeelding van een houding geeft dezelfde opdracht zonder voorbeeld van de begeleider.
Bewegingen spiegelen en richtingen volgen
Bij een spiegelspel doet één kind bewegingen met de armen, de schouders of de benen voor. Een ander kind volgt ze na. Daarna wisselen de rollen: wie eerst nadeed, bedenkt nu zelf. Dat spiegelen vraagt om goed kijken naar een ander lichaam en vertalen naar het eigen lichaam.
Ruimtelijke opdrachten bouwen daarop voort. Gebruik woorden als boven, onder, voor, achter, links, rechts en tussen, en laat het kind de positie innemen of aanwijzen. Daarna verplaatst het zich voorwaarts, achterwaarts en zijwaarts, stappend of springend. Een veld met 9 of 16 vakken laat ook richtingen naar links, rechts en schuin zien.
Plaatsen en routes aanwijzen
Gekleurde vloermarkeringen maken een links-rechtsspel mogelijk: het kind tikt met de linkerhand een stip aan of zet de rechtervoet op een kleur. Zo maakt materiaal voor vloermarkering en afbakening de plaats van het lichaam in de ruimte zichtbaar.
Een werkblad met pijlen of een route oefent de ruimtelijke oriëntatie en de begrippen links en rechts verder. Een kleuter kan de route eerst met een vinger of een grote armbeweging volgen. Zo’n werkblad meet de neurologische lateralisatie niet rechtstreeks.
Oefeningen om de lichaamsmiddellijn te kruisen
De lichaamsmiddellijn kruisen betekent dat een kind met één hand iets aan de andere kant van het lichaam pakt of aanraakt. Staande bewegingen, reiken tijdens het spel en tekenen laten dat overkruisen op verschillende manieren oefenen.

Begin met staande kruisbewegingen
Staande kruisbewegingen vragen geen materiaal en passen in elke les. Bouw ze op van eenvoudig naar moeilijker, met steeds één aanpassing.
- Kruisloop: het kind stapt op de plaats met opgetrokken knieën.
- Knie aantikken: de linkerhand tikt de rechterknie aan, daarna tikt de rechterhand de linkerknie aan.
- Elleboog naar knie: een moeilijkere variant brengt de tegenoverliggende elleboog naar de knie.
- Achter het been: de linkerhand gaat achter het linkerbeen naar de rechtervoet, daarna de rechterhand achter het rechterbeen naar de linkervoet.
Reik tijdens het spelen naar beide kanten
Overkruisen hoeft geen aparte oefening te zijn. Leg voorwerpen niet alleen midden voor het kind, maar ook links en rechts ervan.
Tijdens een gewone spelhandeling reikt het kind dan vanzelf over de middellijn. Een blokje of een kaart aan de overkant pakken wordt zo een motorische oefening met een waarneembaar doel.
Lukt dat reiken niet meteen, dan is dat geen mislukking. Het gaat om een motorische activiteit, geen toets die ieder kind moet halen.
Teken een liggende acht
Teken een grote liggende acht op papier en begin in het midden. Het kind volgt eerst de doorgaande lijn met de ogen. Daarna tekent het de acht met de andere hand, en ten slotte volgt het de lijn met een stift in elke hand tegelijk. De getekende lijn maakt de bewegingsrichting zichtbaar.
Dezelfde vorm werkt ook zonder papier. Met een lint of een strook crêpepapier maakt het kind vóór het lichaam grote cirkels in beide richtingen en een liggende acht.
Zo werken beide handen samen
Bij links-rechtssamenwerking doen beide handen tegelijk iets, soms hetzelfde, soms elk iets anders. Het verschil zit hem in de rolverdeling: symmetrische bewegingen komen eerst, taken waarin de handen verschillende rollen krijgen volgen later.
Beweeg beide handen tegelijk
Symmetrische bewegingen met twee handen vormen het vertrekpunt. Het kind doet aan beide kanten exact hetzelfde, op hetzelfde moment.
- Cirkels: beide armen draaien tegelijk.
- Spreiden en sluiten: de armen gaan samen open en weer dicht.
- Klappen in een vaste volgorde: een klapreeks voegt ritme aan de beweging toe.
- Symmetrisch tekenen: beide handen tekenen tegelijk een vorm, eerst op een bord en daarna op een groot vel papier.
Een blokkentoren op de lichaamsmiddellijn combineert reiken en samenwerken. De linkerhand pakt links een blokje, de rechterhand rechts een blokje.
Beide handen brengen hun blokje vervolgens tegelijk naar het midden. Zo groeit de toren precies op de middellijn.
Speel met voorwerpen in elke hand
Met een voorwerp in elke hand wordt dezelfde samenwerking dynamischer. Geef het kind een tennisbal of een pittenzak in elke hand en laat het beide tegelijk werpen.
Een ballonspel bouwt dezelfde samenwerking verder uit. Het kind begint met één ballon per hand en slaat ze tegelijk omhoog.
Lukt dat, dan probeert het met elke hand één ballon in de lucht te houden. Elke hand volgt dan een eigen ballon, een stap verder dan de gelijke beweging.
Geef de handen verschillende rollen
Bij knippen houdt de ene hand het papier vast terwijl de andere knipt. Scheuren, vouwen, een doos openen en een rits sluiten vragen eveneens om verschillende rollen. Bij het omtrekken van een vorm houdt de ondersteunende hand de vorm vast en tekent de andere de lijn: een zichtbaar doel voor oog-handcoördinatie.
Kralen rijgen en bouwen oefenen de fijne motoriek op dezelfde manier: één hand houdt het materiaal vast, de andere voert een precieze handeling uit. Leg het materiaal afwisselend links en rechts, zonder een voorkeurshand af te dwingen.
Zo bouwt u een oefenmoment op
Een oefenmoment werkt beter met een duidelijk doel, een logische volgorde en een moeilijkheid die bij het kind past. Materiaal kan daarbij helpen, op voorwaarde dat het de opdracht verduidelijkt.
Kies een doel en werk stap voor stap
Kies een doel dat u kunt waarnemen: een bal ontvangen, papier vasthouden bij het knippen, gecontroleerd reiken of links en rechts op het eigen lichaam aanwijzen. Een opdracht als ‘lateralisatie stimuleren’ zegt niet wat het kind leert. Een praktische volgorde gaat van lichaamsdelen herkennen en nadoen naar reiken, gecontroleerd kruisen, tweehandige taken en toepassing in een dagelijkse activiteit.
Die volgorde is geen gevalideerd protocol om hersenlateralisatie te versnellen, en hetzelfde geldt voor het lesidee hieronder. De leeftijd bepaalt mee de inhoud: bij peuters ligt de nadruk op voordoen, rollen, dragen en vrij bewegen. Kleuters proberen eenvoudige taken met twee handrollen, oudere kinderen een reeks opdrachten of een balspel.
| Tijd | Activiteit |
| Minuut 0–2 | Lichaamsdelen aanwijzen |
| Minuut 2–5 | Een bal van de ene naar de andere kant verplaatsen |
| Minuut 5–8 | Papier vasthouden en knippen |
| Minuut 8–10 | Een vorm tekenen, met aandacht voor de ondersteunende hand |
Pas de moeilijkheid aan het kind aan
Verhoog per stap één moeilijkheidsfactor: afstand, tempo, nauwkeurigheid, evenwicht of een tweede opdracht. Stort de uitvoering in of raakt het kind gefrustreerd, maak de taak dan weer eenvoudiger. Is vooral het gelijktijdig benoemen van links en rechts lastig, dan komt eerst de beweging en pas later de taalopdracht.
Stop een oefening bij pijn, duizeligheid, duidelijke angst of verlies van controle. Voor de duur bestaat geen wetenschappelijk vastgesteld optimum dat de ontwikkeling van de hersenlateralisatie versnelt: het kind en het doel bepalen de lengte.
Gebruik materiaal dat de opdracht duidelijk maakt
Papier, een zachte bal, een kussen en vloermarkeringen volstaan voor veel opdrachten. Materiaal helpt vooral wanneer het een beweging zichtbaar maakt, feedback geeft of de opdracht betekenis geeft. SPORTIBEL.com biedt voor een zelfgemaakt psychomotorisch parcours 16 grondmarkeringen in de vorm van handen en voeten en 24 geometrische grondmarkeringen aan. Gekleurde kegels en ringen duiden eveneens plaatsen en richtingen aan.
De Set Motoriek 4 bevat 102 stuks en is bedoeld voor kinderen van 3 tot 10 jaar. Voor de allerkleinsten zijn er onder de artikelen voor psychomotoriek een wereldbolspelbal van 18 cm en een spelbal met cijfers en letters van 22 cm. De antislip-loopklossen zijn 13 cm hoog, voor kinderen van 6 tot 12 jaar.
Controleer vóór gebruik of het materiaal heel, schoon en stroef is en of de kinderen veilig kunnen afstappen. Volgens de NVWA is CE-markering verplicht voor speelgoed, maar dat teken vervangt geen veilige opstelling of toezicht. EN 71-8:2026 betreft activiteitenspeelgoed voor thuisgebruik. NEN-EN 1176-1:2017+A1:2023+ANL1:2026 gaat over permanent geïnstalleerde publieke speeltoestellen en sluit speelgoed uit.
Wat mag u van lateralisatie verwachten?
Lateralisatie gaat over functies die vooral aan één lichaamszijde of in één hersenhelft vertegenwoordigd zijn. In het onderwijs bedoelt men er vaak de handvoorkeur mee. De linkerhersenhelft en de rechterhersenhelft werken bij complexe taken samen, en een voorkeurshand is geen volledige meting van het brein.
Oefen vaardigheden, geen veronderstelde hersenversnelling
Er is geen bewijs dat kruisbewegingen, klapspelletjes of andere oefeningen een kind sterker gelateraliseerd maken of de handvoorkeur versterken. Het onderzoek ondersteunt wel het oefenen van concrete vaardigheden.
- Gekruiste voorkeuren: een systematische review uit 2017 van 26 onderzoeken met samen 3.578 kinderen van 5 tot 12 jaar vond geen betrouwbare relatie met schoolprestaties of intelligentie.
- Fijnmotorische interventies: een systematische review uit 2020 omvatte 31 onderzoeken bij kinderen van 0 tot 6 jaar, waarvan er 25 positieve effecten rapporteerden.
- Matige effecten: meta-analyses van 19 van die onderzoeken vonden matige effecten op fijne motoriek, visueel-motorische uitkomsten en handvaardigheid.
- Schrijfprogramma’s in de klas: een review uit 2018 vond kleine tot middelgrote verbeteringen in de leesbaarheid van het handschrift, met gemengd bewijs voor schrijfsnelheid.
Motorische oefeningen zijn dus zinvol voor de motoriek zelf. De claim dat ze het leren verbeteren doordat de hersenhelften beter zouden samenwerken, vindt in deze reviews geen steun.
Observeer wat het kind daadwerkelijk doet
Kijk bij tekenen, eten, bouwen en gooien welke hand het kind spontaan kiest. Herhaal die observatie op andere momenten, met de voorwerpen op een andere plek. Een wisselende keuze bij een jong kind is op zichzelf geen diagnose.
Noteer bij tweehandige taken wat elke hand doet en hoeveel aanwijzing of fysieke hulp nodig is. Ook de nauwkeurigheid en de betrokkenheid van het kind horen erbij. Zo’n klasobservatie is geen genormeerde test.
Moeite met kruisen, knippen, oog-handcoördinatie of evenwicht heeft uiteenlopende mogelijke oorzaken. Spiegelletters, links-rechtsverwarring of een wisselende handkeuze bewijzen evenmin dyslexie of een lateralisatieprobleem. Beoordeel leesproblemen en schrijfproblemen daarom rechtstreeks.
Schakel hulp in als dagelijkse taken vastlopen
Houden motorische problemen aan of nemen ze toe, en belemmeren ze aankleden, knippen, schrijven, balspel of gym? Bespreek dan concrete voorbeelden tussen ouders en school. Een jeugdarts of huisarts beoordeelt of een verwijzing naar een kinderfysiotherapeut, ergotherapeut of kinderoefentherapeut past.
De Nederlandse DCD-richtlijn beveelt bij motorische problemen taakgericht oefenen aan: het kind oefent de gewenste activiteit zelf, eventueel eerst in een eenvoudigere situatie, met thuis en school betrokken. Sensorische-integratietherapie en kinesthetische sensitiviteitstraining raadt dezelfde richtlijn bij DCD niet aan, omdat het bewijs voor hun effectiviteit onduidelijk is.
Veelgestelde vragen
Er bestaat geen universele thuistest die de volledige hersenlateralisatie vaststelt. Een gestandaardiseerde beoordeling gebruikt meerdere taken en vaste regels voor afname en scoring. In de klas observeert u de spontane handkeuze bij tekenen, een lepel gebruiken, een blokje pakken en een bal gooien, en herhaalt u dat op andere momenten met de voorwerpen op een andere plek.
Onderzoek vond bij kinderen van zes en zeven jaar geen verband tussen het ontbreken van een duidelijke handvoorkeur en problemen met taal of geletterdheid. Een meta-analyse vond wel een verband tussen gemengde handvoorkeur en dyslexie, maar handvoorkeur is niet bruikbaar om dyslexie vast te stellen.
Er is geen universele leeftijd waarop alle aspecten van de handvoorkeur vastliggen, en een kind kan per taak een andere hand kiezen. Volgens het Nederlands Jeugdinstituut bewegen kleuters rond zes jaar steeds beter één hand zonder dat de andere meebeweegt. Een studie bij kinderen van zes tot elf jaar zag een overgang rond acht à negen jaar, als oriëntatiepunt en niet als deadline.