Balspelletjes voor kleuters: 20 leuke spellen met een bal
Balspelletjes voor kleuters draaien om rollen, mikken, vangen en samen plezier maken, of dat nu thuis, in de gymzaal of op het plein gebeurt. Elke plek vraagt om eigen spellen en benodigdheden, en met eenvoudige variaties en veilig materiaal stemt u elk spel af op wat een kind al kan.
Thuis spelen met een bal
Voor een balspelletje thuis is weinig nodig: een bal en een paar spullen uit de kast. Bij peuters en kleuters gaat het om ontdekken en herhalen, niet om een perfecte uitvoering. Laat het kind het tempo bepalen en speel gewoon mee.

Rollen en omgooien
Rollen is de eerste stap, en een bal die iets raakt geeft direct een succesje. Met deze drie balspelen oefent een kind richten en gooien zonder dat het als oefenen voelt.
- Omgooien maar: zet lege flessen of bekers neer en laat het kind ze met de bal omrollen.
- Rollende race: rol om de beurt zo ver mogelijk, of juist zo langzaam mogelijk zonder dat de bal stil komt te liggen.
- Toren omgooien: bouw samen een toren van blokken of bekers, die het kind daarna omrolt.
In de praktijk vinden kinderen het omgooien vaak leuker dan het bouwen. Een toren mag dus best een paar keer achter elkaar opnieuw omhoog.
Mikken en samenspelen
Bij mikken gooit het kind de bal in een wasmand, doos of speelgoedkist. Begin van dichtbij. Lukt dat, maak de afstand dan groter of laat de bal eerst één of twee keer stuiteren.
Daarna kunnen kinderen de bal naar elkaar gooien en terugvangen. De worp hoeft niet perfect te zijn: rustig gooien en vangen oefent de coördinatie al. Bij de ballon-beschermers houden kinderen samen een ballon of lichte bal van de grond, een binnenspel waarbij niemand wint of verliest.
Fantasie en een parcours
Met een beetje fantasie wordt rollen een verhaal. In de rollende dierentuin gaat de bal langzaam en zwaar als een olifant, snel als een muis of zigzaggend als een slang. Ook bal onder de benen door zorgt vaak voor gelach: het kind staat met de benen iets uit elkaar en rolt de bal van voor naar achter.
Een parcours in huis combineert al die bewegingen. De bal gaat onder stoelen door, door een doos en over een kussen, en daarna verandert u steeds de obstakels. Zo past het spel binnen de bredere motorische spellen voor kleuters, waarin balans, gooien en bewegen samenkomen.
Balspel in de gymles
In de gymzaal is er ruimte voor een hele groep tegelijk. Het verschil zit hem in de organisatie: kringen, rijen en stations zorgen ervoor dat elk kind vaak aan de beurt komt en weet wat er van hem of haar verwacht wordt.

Kringspellen en doorgeven
Een kring is overzichtelijk voor de leerkracht, en de kinderen zien elkaar allemaal. Veel balspelletjes in de gym beginnen daarom in een kring, met eenvoudige regels die snel duidelijk zijn.
- Chinees voetbal: de kinderen staan met de benen wijd en proberen de bal onder iemands benen door te rollen, terwijl die speler met de handen verdedigt.
- De bom: de kleuters geven de bal zo snel mogelijk door, terwijl een kind in het midden met gesloten ogen tot twintig telt en dan "BOEM" roept.
- Rollen in de kring: een kind rolt de bal naar een ander kind in de kring.
Voor kinderen onder 7 jaar beschrijft de KNHB de kringoefening met 8 spelers, op een half veld en maximaal 15 minuten lang. Als spel in de gymles voor kleuters oefent het kijken, richten, ontvangen, op de beurt wachten en samenwerken.
Mikken, gooien en vangen
Bij het bal overgeven worden twee even grote groepen in een rij gezet. De bal gaat om en om boven het hoofd en tussen de benen door naar achteren. Het laatste kind loopt daarna naar voren en sluit vooraan aan.
Bij gooien en vangen staan tweetallen tegenover elkaar. Laat de bal eerst één keer stuiten, en wissel daarna tussen gooien met twee handen, met links en met rechts. Of de kinderen onderhands of bovenhands gooien, hangt af van de opdracht en de ruimte.
Werk met stations of vakken waar 6 tot 8 kinderen tegelijk bezig zijn. Zo blijft de wachttijd kort en kan de leerkracht per groepje begeleiden, zoals ook te lezen is in de tips over bewegingsonderwijs voor kleuters. Ook een tennisbal kan hier dienen als kleinere variant bij het mikken.
Tikken en teams
Tikspellen brengen de hele groep in beweging. Houd de afspraken eenvoudig, zodat kleuters vooral rennen en niet vooral regels hoeven te onthouden.
- Jagerbal: de kinderen lopen door het lokaal, terwijl één of twee jagers proberen te tikken of af te gooien.
- Lummelen: vanaf drie spelers, met één lummel in het midden die de bal probeert te pakken.
- Tienballen: twee teams, waarbij het ene team de bal tien keer overspeelt met handen en voeten.
Bij lummelen raken jonge spelers snel gefrustreerd. Spreek daarom af dat de bal op tijd wordt afgegeven, zodat de lummel niet te lang in het midden staat.
Tienballen heeft twee vaste regels: niet lopen met de bal en niet terugspelen naar degene van wie u de bal kreeg. Het andere team probeert intussen de bal te onderscheppen.
Buitenspellen voor kleuters
Het plein geeft ruimte voor harder gooien en verder rollen. Een muur, een hoepel of een paar pionnen is genoeg om van buitenspelen een doelgerichte oefening te maken.

Mikken op plein en muur
Zet pionnen, blikken of blokken op een laag muurtje, zodat kleuters ze eraf proberen te gooien. Een muur is ook handig om de bal overheen te gooien naar een kind aan de andere kant, of om ertegen te gooien terwijl een ander vangt. Bij reis om de wereld liggen genummerde hoepels rond een mikdoel: na een treffer schuift het kind een nummer op en telt het de pogingen.
Stuiten en circuits
Stuiten kan op de grond of tegen een muur. Wissel daarbij af tussen de linker- en rechterhand, stuit tijdens het lopen of leg een eenvoudige hindernisbaan uit.
Een hinkelbaan maakt de opdracht meteen duidelijk: per vak spreekt u af hoe vaak de bal mag stuiten. Zo worden de lijnen op het plein vanzelf een balspel voor buiten.
In een combinatiecircuit wisselen gooien, vangen en stuiten elkaar af. Met een tijd van één minuut tellen de kinderen hun eigen scores.
Eenvoudig voetbal
Voor O6 en O7 beschrijft de KNVB een partij 1 tegen 1 met vier kleine doelen en 4 tot 8 spelers. Die voetbalspelletjes voor kleuters duren 10 minuten, op een veld van 16 × 12 meter. Ook 3 tegen 3 met kleine doelen en zonder vaste keeper werkt goed.
Trefbal kan ook buiten: een team probeert het andere team helemaal af te gooien. De juiste keuze hangt af van de groep en de ruimte die er is, dus kies een variant die daarbij past.
Veilig materiaal voor kleuters
Een goede uitrusting begint met een bal die past bij het kind. Daarnaast bepalen de ruimte en duidelijke afspraken of een spel veilig blijft voor de hele groep.
Een passende uitvoering
Voor de meeste activiteiten met kleuters werkt een lichte, zachte bal van ongeveer 15 tot 20 cm doorsnee het best: die vergeeft een mislukte vang. Een bal wordt moeilijker wanneer hij:
- Zwaarder of harder is, waardoor vangen meer durf vraagt.
- Kleiner of gladder is, zodat de handen minder grip hebben.
- Minder vervormbaar is of sneller terugkaatst, en het kind dus sneller moet reageren.
Sportibel biedt een initiatieset met 12 handballen in schuimstof van 17,5 cm aan. Met schuimstof leren jonge kinderen handbal veilig kennen en oefenen ze hun psychomotorische vaardigheden.
Ruimte en toezicht
Een bal gaat snel mee, maar een scheurtje of een los ventiel valt pas op als u ernaar kijkt. Controleer daarom vóór elke activiteit:
- De staat van de bal: heel, zonder losse naden, ventielen of scheuren.
- Het gewicht: niet onnodig hard of zwaar voor de groep.
- De ruimte: vrij van obstakels, met andere groepen op afstand en een vaste plek waar de materialen worden opgehaald.
Iedereen moet de stopregel kennen en de begeleider moet alle kinderen kunnen zien. Is er een risico, pas het spel dan aan of stop het tijdelijk.
Veilige spelafspraken
Kies bij tik- en trefvarianten een lichte foambal, zodat afgooien minder pijn doet. Laat tweetallen ook genoeg afstand houden, zodat een worp of een rollende bal niet bij andere kinderen terechtkomt.
Volgens de KVLO moeten grootte en gewicht van het materiaal passen bij wat de groep kan. Daarbij wordt het materiaal voor elke les op veiligheid gecontroleerd, of het nu om kleine ballen of grote gymballen gaat.
Pas elk spel aan het kind aan
Hetzelfde spel kan te makkelijk zijn voor het ene kind en te moeilijk voor het andere. Door telkens één onderdeel aan te passen, blijft elk kind uitgedaagd zonder dat het de moed verliest.
Van eenvoudig naar uitdagend
Maak een opdracht stap voor stap moeilijker. Elke stap hieronder verandert één ding tegelijk:
- Het materiaal: van groot naar klein, van zacht naar hard, van licht naar zwaar.
- Het doel: van dichtbij naar verder weg, van een groot naar een klein doel.
- De houding: van stilstaan naar bewegen, van twee handen naar één hand.
- De techniek: van rollen naar gooien, van vangen na rollen naar vangen na een stuit.
Laat kinderen oefenen met hun linker- en rechterarm en met beide benen. Zo ontwikkelen ze hun balvaardigheid aan beide kanten.
| Onderdeel | Makkelijker | Moeilijker |
| Bal | Groot, zacht, licht | Klein, hard, zwaar |
| Afstand en doel | Dichtbij, groot doel | Verder weg, klein doel |
| Houding | Stilstaand, twee handen | Bewegend, één hand |
| Techniek | Rollen, vangen na rollen | Gooien, vangen na een stuit |
Ondersteunen en observeren
Durft een kleuter nog niet te vangen, verander dan maar één ding tegelijk. Begin met een grote zachte bal van dichtbij, en maak pas later de afstand groter of de bal kleiner.
Een kind dat niet mee wil doen, hoeft niet gedwongen te worden. Er zijn andere rollen waarmee het toch deel van de groep blijft:
- Helpen: ballen verzamelen of pionnen neerzetten.
- Meedoen op afstand: kijken, een kleur roepen of iets voordoen.
- Een lichtere vorm: een makkelijkere variant spelen of rusten.
Soms valt op dat een kind traag reageert als het een bal krijgt, en dat de oog-handcoördinatie zwak is. Dat samen kan een reden zijn om de motorische ontwikkeling beter te volgen. Noteer het gedrag een paar weken voordat u conclusies trekt.
Differentiëren in de groep
Vaak slagen leert kleuters meer dan één moeilijke poging. Als het doel te ver weg of te hoog staat, lukt het onnodig vaak niet. Gebruik verschillende materialen om te variëren, en wissel gemengde groepjes, waarin kinderen van elkaar leren, af met groepjes van hetzelfde niveau voor gerichte hulp.
Een korte, ontspannen evaluatie per maand met steeds dezelfde basistaken laat zien hoe een kind vooruitgaat. Vergelijk wat beter gaat en wat moeilijk blijft met de leeftijdsnormen, en kies pas daarna eventuele extra oefeningen.
Veelgestelde vragen
Voor dribbelen en voetballen past een kleine voetbal, zoals maat 3. Die heeft een omtrek van 58 tot 60 cm en is bedoeld voor spelers van 7 jaar en jonger. Voor gooien, vangen, rollen en trefspellen is een lichte, zachte bal meestal beter dan een harde voetbal.
Sinds 1 augustus 2023 moet elke basisschool wettelijk minstens 90 minuten bewegingsonderwijs per week geven, ook aan groep 1 en 2. De twee lesuren mogen apart worden gegeven, of als één blokuur als ze niet over de week te verdelen zijn. Groepsleerkrachten met een PABO-getuigschrift mogen de lessen in groep 1 en 2 geven.
Volgens de Beweegrichtlijnen van de Gezondheidsraad uit 2017 bewegen kinderen van 4 tot 18 jaar minstens 60 minuten per dag matig tot zwaar intensief. Daarnaast doen ze minstens 3 keer per week spier- en botversterkende activiteiten. Sinds 22 februari 2022 is er ook een apart beweegadvies voor 4-jarigen. Een gymspel van tien minuten is dus maar een deel van al het bewegen op een dag.
Vergelijkbare artikelen
De 5 motorische basisvaardigheden voor de ontwikkeling van kinderen
Ontdek de 5 motorische basisvaardigheden die kinderen helpen beter te bewegen. Leer meer over deze vaardigheden en hun motorische ontwikkeling.
Balcontrole in voetbal: trainingsoefeningen per niveau
Trainingsoefeningen voor balcontrole in het voetbal: aanname, dribbel en basistechniek, individueel of in groep, voor club, school en thuis.